STOWA bundelt herinrichtingsmaatregelen die fysisch-chemische waterkwaliteit verbeteren
Om waterschappen te helpen met het verbeteren van fysisch-chemische waterkwaliteit bij (her)inrichting van beken, sloten en kanalen, heeft de STOWA een overzicht gemaakt van ingrepen die daaraan bijdragen.
Herinrichtingsprojecten van beken, sloten en kanalen worden meestal uitgevoerd vanwege een ecologisch doel of waterkwantiteitsopgave. Zelden zijn herinrichtingsmaatregelen gericht op het verbeteren van de fysisch-chemische waterkwaliteit als doel op zich, aldus de STOWA (Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer). Herinrichting kan echter ook aangegrepen worden om (al dan niet naast andere doelen) de waterkwaliteit te verbeteren.
Met het rapport wil de STOWA laten zien aan welke maatregelen gedacht kan worden om bij het ontwerp van een dergelijke (her)inrichting oog te hebben voor waterkwaliteit. Voor het behalen van de waterkwaliteitsdoelstellingen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en het herstellen van biodiversiteit is de fysisch-chemische waterkwaliteit een belangrijke parameter. In het kader van specifiek de KRW gaat het dan om de temperatuur, zuurgraad, mate van doorzicht, en de zuurstof-, stikstof-, fosfor- en chloridegehalten.
Beeksystemen op hogere zandgronden
De maatregelen waar het rapport toe wil inspireren kunnen echter evengoed effectief zijn voor zuivering van oppervlaktewater in relatie tot andere stoffen. Hierbij word vooropgesteld dat bronmaatregelen zoals het voorkómen en reduceren van emissies, via bijvoorbeeld de regulering van afvalwaterlozingen, meest effectief is. Wanneer bronaanpak echter niet afdoende of niet mogelijk is, kan bij de herinrichting van watersystemen een waterzuiverende voorziening worden overwogen.
De focus van het rapport ligt op beeksystemen op hogere zandgronden. Voor dit type watersystemen is een literatuurstudie gedaan en input opgehaald bij de waterschappen in deze gebieden.
Vuistregels
Om natuurlijke processen te stimuleren die een positieve uitwerking hebben op de waterkwaliteit, wijst het rapport op vijf basale principes die in dat kader vrijwel altijd helpend zijn. Dit betreft:
- zorgen voor een groot contactoppervlak en lange contacttijd tussen water, bodem en vegetatie, om omzettings- en adsorptieprocessen de kans te geven;
- waterkwaliteitsmaatregelen ‘zo bovenstrooms mogelijk’ uitvoeren;
- overmatig slib periodiek afvoeren, met name langs voedselrijke oevers;
- erosie en afkalving van voedselrijke oevers voorkomen, bijvoorbeeld door het weghouden van groot vee;
- en zorgen voor voldoende zuurstof, doorstroming en een maximale dagtemperatuur van 25°C.
Ter inspiratie voor mogelijke maatregelen zijn factsheets gemaakt over potentiële ingrepen, de te verwachten effecten en inpasbaarheid daarvan, en voorbeeldprojecten.
Natte oevers en moeraszones
Als voorbeelden van maatregelen met een waterzuiverende werking worden onder andere natte oeverzones, moeraszones en plas-draszones uitgewerkt. Vegetatie in deze zones die jaarrond (net) onder water staat heeft veelal een waterzuiverende werking en kan zorgen voor het invangen van sediment. Ook natuurvriendelijke oevers kunnen daar aan bijdragen.
Om een groter effect op de waterkwaliteit te bereiken kan ook gedacht worden aan de aanleg van een helofytenfilter (vloeiveld van waterzuiverende helofytenplanten) of anderszins natte teeltzone, waar oppervlaktewater doorheen wordt (om)geleid, of voorgezuiverd voordat het een ander waterlichaam instroomt. Als geschikte soorten voor zogeheten paludicultuur (natte teelt) noemt de STOWA lisdodde, riet, wilgen, veenmos, azolla en miscanthus. Wanneer een natte bufferzone met deze planten tussen bijvoorbeeld een landbouwgebied en watersysteem wordt ingeklemd, kan nutriëntenrijk grondwater afkomstig uit het landbouwgebied gezuiverd worden voordat het het oppervlaktewater instroomt.
Een compactere maatregel waar minder ruimte voor nodig is in vergelijking tot bufferstroken en zuiveringsmoerassen, is het houtsnipperfilter. Hierbij wordt oppervlaktewater door een filter (hetzij drains, hetzij een bioreactor) gevuld met houtsnippers geleid. Op het hout zetten micro-organismen nitraat onder zuurstofloze omstandigheden om in stikstofgas. Een houtsnipperfilter moet ondergronds worden aangelegd.
Droge oevers
Voor droge oevers raadt STOWA aan deze zodanig in te richten dat bosschages of beekbegeleidende bossen tot ontwikkeling komen. Op die manier kunnen diffuse verontreinigingen (in afstromend grondwater) het waterlichaam moeilijker bereiken omdat ze onderweg door bomen en planten worden opgenomen of afgebroken. Vegetatie langs beken kan bovendien oevererosie voorkomen en op die manier vertroebeling door inspoelend sediment verminderen. Daarnaast kan dichte vegetatie (mits juist georiënteerd) schaduw op het water werpen, waardoor de oppervlaktewatertemperatuur lokaal wordt verlaagd.
Morfologische ingrepen
Ook ingrepen in de morfologie kunnen behalve een effect op waterkwantiteit ook een positief op de waterkwaliteit hebben. Zo kunnen verondieping en het graven van nieuwe beekprofielen, zoals het aanbrengen of terugbrengen van meandering, wanneer optimaal ontworpen zorgen voor zelfregulerende processen die bijdragen aan een betere waterkwaliteit.
Ook het herstellen van kwelstromen, door grondwater in een gebied vast te houden, minder grondwater te onttrekken of actief grondwater aan te vullen, kán een positieve werking op de waterkwaliteit hebben. Voor waterschappen die zich overwegend op zandgronden bevinden bevat kwelwater meestal minder zuurstof en fosfor dan oppervlaktewater, maar wel meer kalk en ijzer. Het herstel van kwelstromen kan er dan voor zorgen dat er meer ijzer in oppervlaktewater terechtkomt. Dit kan de fosfaatconcentratie in de waterkolom verlagen, doordat fosfaat goed bindt aan ijzer. Tegelijkertijd kan een sterkere kwelstroom als nadeel hebben dat (historische) verontreinigingen op de route naar de beek meegenomen worden.
Dit artikel is met toestemming van de redactie overgenomen van H2O Waternetwerk. Lees hier het origineel.
